Diabetes type 1

Hoe meet je schommelingen in de bloedglucose bij diabetes type 1?

Schommelingen in de bloedglucosewaarden kun je bekijken met de standaarddeviatie. Als je dit vergelijkt met de gemiddelde bloedglucose, krijg je de glucosevariabiliteit. Je kunt dit vinden in rapporten van je glucosesensor. Wat betekenen deze gegevens?

In het kort 

  • Met de standaarddeviatie en glucosevariabiliteit zie je hoe hoge en lage bloedglucosewaarden afwijken van je gemiddelde bloedglucose.
  • Hoe minder schommelingen in je bloedglucose, hoe beter dit is voor je gezondheid.
  • In rapporten van je glucosesensor kun je zien wat de standaarddeviatie of glucosevariabiliteit is.
  • Het HbA1c en de Time in Range blijven het belangrijkste. De standaarddeviatie en glucosevariabiliteit geven extra informatie.

Standaarddeviatie bij diabetes type 1

De bloedglucosewaarden bij diabetes type 1 schommelen altijd een beetje. Hoeveel je bloedglucose omhoog of omlaag gaat, kun je meten. Dit heet ook wel: de standaarddeviatie of standaardafwijking. Kort: SD. Het laat zien hoeveel je bloedglucosewaarden op en neer gaan. Hiervoor wordt gekeken naar alle glucosemetingen. En hoeveel deze afwijken van je gemiddelde bloedglucose. Een grotere SD betekent dat de bloedglucose vaker hoog of laag is. Een kleinere SD betekent dat je bloedglucose minder schommelt.

Berekenen standaarddeviatie

Je berekent eerste de gemiddelde bloedglucose. Daarna kijk je naar alle losse bloedglucosewaarden. Elke bloedglucosewaarde krijgt een score. Dit is het verschil tussen de losse bloedglucosewaarde en de gemiddelde bloedglucose. Stel de bloedglucose is gemiddeld 7,0 mmol/l. Dan krijgt een bloedglucosewaarde van 11,0 mmol/mol 4 punten (11 – 7 = 4). Een bloedglucosewaarde van 5,0 mmol/l krijgt –2 punten (5 – 7 = -2).

Elke score vermenigvuldig je met zichzelf (= kwadrateren). Van al die cijfers neem je weer het gemiddelde. En van dat getal neem je de wortel (= worteltrekken). 

Uiteindelijk krijg je dan de standaarddeviatie. De gemiddelde afwijking van je bloedglucosewaarden vergeleken met je gemiddelde bloedglucosewaarde.

Meer schommelingen, meer complicaties

Gaat de bloedglucose veel van hoog naar laag? Dan geeft dit meer kans op complicaties bij diabetes type 1. Zoals nierschade of oogproblemen. Daarom is het belangrijk om te weten hoeveel je bloedglucosewaarden afwijken vergeleken met je gemiddelde bloedglucose. Zorgverleners gebruiken hiervoor de glucosevariabiliteit.

Wat is de glucosevariabiliteit bij diabetes type 1?

De glucosevariabiliteit wordt berekend door de standaarddeviatie te delen door de gemiddelde bloedglucose. Dit wordt ook wel de variatiecoëfficient genoemd. Vaak wordt de glucosevariabiliteit omgerekend in procenten. Dit is het glucosevariabiliteitpercentage. Kort: GVP. Hoe lager dit percentage is, hoe minder schommelingen er zijn in de bloedglucose. Een percentage van 33% of lager is het beste.

Berekenen glucosevariabiliteitpercentage

Weet je de gemiddelde afwijking van je bloedglucosewaarden? Dan kun je het GVP berekenen. Hiervoor deel je de gemiddelde afwijking in je bloedglucose door je gemiddelde bloedglucosewaarde. Dit getal doe je x 100 om er een percentage van te maken. Stel de gemiddelde afwijking is 2,5 mmol/l. En de gemiddelde bloedglucose 7,0 mmol/l. Dan is de glucosevariabiliteit afgerond 0,36 (2,5 / 7,0 = 0,36). En het GVP 36% (0,36 x 100 = 36).

Hoe weet je de glucosevariabiliteit van je bloedglucose?

Om schommelingen in de bloedglucose te berekenen, zijn veel metingen nodig. Dit kan alleen met een glucosesensor. In de rapporten van je glucosesensor kun je zien wat je glucosevariabiliteit of glucosevariabiliteitpercentage is. Soms worden hier afkortingen of andere woorden voor gebruikt. Zoals: SG ± STD. SG staat hierbij voor: sensorglucose. Dit is je gemiddelde bloedglucose in een periode. STD staat voor: standaarddeviatie. Soms wordt de glucosevariabiliteit-index gebruikt. Kort: GVI.

Verschil tussen HbA1c, glucose monitoring index en glucosevariabiliteit 

Het HbA1c is een manier om de gemiddelde bloedglucose te meten in de laatste 2 tot 3 maanden. Glucosesensoren kunnen ook een gemiddelde bloedglucose berekenen over een bepaalde periode. Dit heet de: glucose monitoring index. Kort: GMI. De GMI kun je omrekenen naar een geschat HbA1c. Het HbA1c of de GMI laten beiden een gemiddelde zien. Door onderzoek weten we dat een gemiddeld hogere bloedglucose de kans op complicaties bij diabetes type 1 vergroot. Maar hierbij weet je niet of iemand veel pieken of dalen in de bloedglucose heeft. De glucosevariabiliteit laat dit wel zien.

Verschil tussen Time in Range en glucosevariabiliteit 

De Time in Range is de tijd per dag die de bloedglucose binnen het streefbereik zit. Bij diabetes type 1 is het bijvoorbeeld het streven dat de bloedglucose ten minste 70% van de dag tussen de 3,9 en 10 mmol/l is. Met de Time in Range weet je niet hoeveel de bloedglucose schommelt binnen of buiten het streefbereik. Dit zie je alleen in de grafiek van de glucosesensor. De glucosevariabiliteit zegt meer over hoe erg de schommelingen zijn.

Wat kun je met de glucosevariabiliteit?

Het HbA1c en de Time in Range blijven het belangrijkste bij diabetes type 1. Zijn deze binnen de streefwaarden? Dan houd je de kans op complicaties zo klein mogelijk. De glucosevariabiliteit geeft extra informatie. Bij een hoge variabiliteit is het belangrijk om te kijken hoe je pieken en dalen in de bloedglucose kunt verminderen. Vraag je internist of diabetesverpleegkundige om hier samen met je naar te kijken.

Welke maat voor glucosevariabiliteit gebruik jij?

Mooi nieuw artikel op deze site: Hoe meet je schommelingen in de bloedglucose bij diabetes type 1? - diabetes.nl. Persoonlijk word ik niet zo blij van de …
Bekijk het gesprek
Facebook FacebookWhatsApp Whatsapp

Artikel met medewerking van:

Experts dragen bij aan betrouwbare informatie op diabetes.nl. Lees meer over hoe we als redactie keuzes maken.

Laatst bijgewerkt op: 4 mei 2026