Verhalen van anderen; Noortje & Eva
In samenwerking met de Bas van de Goor Foundation.
In het water draait alles om concurrentie: tegenstanders naast je, de klok die genadeloos doortikt en de punten die je krijgt. Voor Noortje de Brouwer (synchroonzwemmen) en Eva Vullers (wedstrijdzwemmen) stopt die strijd alleen niet bij de badrand. Waar anderen na de race kunnen herstellen en vooruitkijken, hebben zij er een extra tegenstander bij één die zich buiten het zwembad net zo nadrukkelijk laat gelden: type 1 diabetes. De één excelleert in het synchroonzwemmen, waar perfectie de norm is. De ander groeide op in het wedstrijdzwemmen, waar elke seconde telt. Dit is het verhaal van twee sporters die niet alleen concurreren in het water, maar ook daarbuiten elke dag moeten schakelen. Inmiddels zijn de sensorgebruikers allebei gestopt op professioneel niveau.
Geschreven door Rick Smeets
Voor Eva begon het verhaal al vroeg. Als kind kreeg ze de diagnose type 1 diabetes, iets wat er simpelweg altijd al bij hoorde. Geen keuze, geen vergelijking met “hoe het anders was”, maar leren omgaan en doorgaan met diabetes. Binnen de zwemlijnen van de KNZB vond ze haar plek in het wedstrijdzwemmen. Niet met de ambitie om per se de top te halen, maar wel de ambitie om zichzelf altijd te verbeteren. Eva had wel een duidelijke voorkeur: zo kort mogelijk, zo snel mogelijk. Volle bak, en dan weer eruit.
Juiste startwaarde bij wedstrijdzwemmen
In het zwembad ging het vaak om één ding: haar eigen grenzen verleggen. Persoonlijke records waren het doel, en daar ging ze ver in, tot het punt van verzuring, waar alles begint te branden en techniek onder druk komt te staan. Maar waar anderen daar alleen fysiek tegenaan lopen, speelde er bij haar nog iets extra’s mee. “Ik vond dat wel lastig, vooral door de grote schommelingen tijdens het zwemmen. Het was moeilijk om aan te voelen wanneer ik echt 100% kon geven en wanneer ik mezelf juist een beetje moest inhouden. Voor mij werkte het ‘t beste als mijn waarde tussen de 6 en 10 zat, niet hoger. Dan wist ik: nu kan ik gaan. Maar dat was nooit op de gok, ik dacht het altijd van tevoren uit en probeerde daar mijn training op aan te passen. Alleen wist ik vaak niet wat we precies gingen doen tijdens een training. Dat maakte het lastig om me goed voor te bereiden. Daardoor hoopte ik eigenlijk altijd op korte afstanden, omdat ik daar ook sneller van kon herstellen.”
Diabetes en synchroonzwemmen; pieken en verzuring
Bij Noortje de Brouwer liep het anders. Haar diagnose kwam niet geleidelijk, maar sloeg in als een mokerslag; 3 maanden voor de Olympische Spelen van Parijs in 2024. Op het moment dat alles moest samenkomen, kwam er ineens een nieuwe realiteit bij. En toch stond ze daar. Sterker nog: ze zwom zich naar een bronzen medaille.
Bij Noortje begon het echte schakelen pas ná de diagnose en dat op misschien wel het meest ongunstige moment denkbaar. Met nog drie maanden te gaan tot de Olympische Spelen van Parijs 2024 moest ze niet alleen blijven presteren, maar ook haar hele lichaam opnieuw leren begrijpen. Ze zat in de zogeheten honeymoonfase van type 1 diabetes; een periode waarin het lichaam nog deels zelf insuline aanmaakt. Mede door de intensiteit van haar trainingen had ze in die tijd opvallend weinig insuline nodig.
“Het EK was de enige wedstrijd die ik voor de Spelen had. De wedstrijd op de Olympische Spelen was pas om 21:00 uur ’s avonds, terwijl ik gewend was om juist in de ochtend te presteren. Dat alleen al maakte het voor mijn diabetes heel anders,” vertelt ze. “Ik stond rustig op, trainde nog zo’n 2,5 à 3 uur en daarna maakten we ons klaar voor de wedstrijd.”
In die periode gebruikte ze nog relatief weinig insuline en kreeg ze te maken met wedstrijdspanning, wat haar waardes verder beïnvloedde. “Die spanning zorgde voor pieken. En omdat ik trainde met verzuring, schoot mijn suiker ook omhoog. Echter kende ik die combinatie met diabetes nog helemaal niet.”
De onzekerheid over hypo’s speelde daarin een grote rol. “In de eerste maanden was ik vooral bang om te laag te gaan. Daardoor nam ik een waarde van 17 mmol eigenlijk voor lief; ook op de Spelen. Voor de wedstrijd was ik continu aan het checken of ik niet richting een hypo ging. Ik nam nog een energiegelletje, extra suikers, gewoon om dat te voorkomen. ”Achteraf kijkt ze daar anders op terug. “Ik heb mijn wedstrijd uiteindelijk gezwommen met pieken rond de 20. Dat zou ik nu echt nooit meer doen, haha.”
Wedstrijddag; spanning bij meerdere races
Ook Eva deelt hoe haar wedstrijddagen eruitzagen en hoe grillig die konden zijn. “Bij het zwemmen moest ik rond 13:00 uur aanwezig zijn voor het inzwemmen. Eten ging dan vaak moeizaam; met moeite kreeg ik drie sneetjes bruinbrood weg. De rest van de dag leefde ik eigenlijk vooral op snacks.”
Tussen het inzwemmen en haar race droeg ze haar insulinepomp nog, maar dat veranderde vlak voor de start. “Bij de voorstart ging mijn pomp af, en dan steeg mijn waarde vaak.” Tegelijk moest ze vooruitdenken. “Na een race kon ik niet zomaar veel bolussen, want ik had meestal nog twee races die dag. Ik wist niet precies wat de impact zou zijn, dus daar moest ik voorzichtig mee zijn.” Dat patroon herhaalde zich soms meerdere keren op één dag. “En dat dan drie keer op een dag. Na afloop zakte mijn suiker juist enorm, omdat de spanning uit mijn lijf was en ik eigenlijk te weinig had gegeten.”
Invloed van sport op je diabetes
Beide waterstrijders hebben de keuze gemaakt om te stoppen met hun sport. Tijd voor wat anders. En juist toen werd duidelijk hoeveel invloed beweging eigenlijk had. Iets wat veel mensen met type 1 diabetes zullen herkennen: de insulinegevoeligheid lag tijdens het sporten extreem hoog.
En als topsport een houvast is, is de overgang groot. Van fulltime topsport naar een kantoorbaan, met ineens een stuk minder beweging. “Ik ging van elke dag intensief trainen naar een jaar waarin ik weinig sportte,” legt Noortje uit. “En dat merkte ik meteen. Als ik iets at, kon ik insuline spuiten wat ik wilde, maar kreeg ik mijn waarde soms gewoon niet meer naar beneden. Dan moest ik in huis rondjes gaan lopen om überhaupt mijn insuline een beetje te laten werken. En nu kom ik in een fase waarin ik ga ontdekken hoe het is om op een recreatieve manier te sporten met mijn diabetes.”
“Tijd. De key voor iedereen met diabetes.”
Eva herkent dat gevoel direct. Stilzitten bleek voor haar geen optie. “Ik heb het twee maanden volgehouden zonder echt te sporten, maar toen ben ik weer begonnen,” vertelt ze. “Ik kon er helemaal niks mee, mijn lichaam raakte gewoon ontregeld. Uiteindelijk ben ik crossfit gaan doen en merk ik dat ik weer terug ben in het patroon dat ik van vroeger kende.”
Die structuur blijkt voor haar nog steeds essentieel. “Ik merk nu al dat als mijn sport stilligt, ik sneller ontregeld raak. In de zomervakantie train ik minder dan normaal, maar ook dan zoek ik het liefst een crossfitterrein op en train ik graag door.”
Beide dames vinden het zonde als kinderen of anderen niet meer durven te zwemmen uit angst voor hypo’s of de gevolgen van hypers. Begrijpelijk, maar het hoeft niemand echt tegen te houden. Eva licht toe dat het bespreekbaar maken bij een sportvereniging van groot belang kan zijn. “Type 1 diabetes is echt anders dan diabetes type 2. Ik moet nu al nadenken voor iets wat ik over 3 uur pas ga doen. Mijn tip: maak diabetes bespreekbaar met je trainer, je team en sportgenoten. Zo kunnen ook zij begrip hebben en daarmee creëer je een sociale controle. Dat kan erg prettig zijn als je te laag zit en je krijgt het gevoel dat je er niet alleen voor staat.”
Noortje vult aan om altijd scherp te zijn op hoeveel actieve insuline er nog in je lichaam zit. “Zorg dat je altijd iets te eten of drinken bij de badrand hebt liggen en controleer je waardes tijdens trainingen. Maar nog belangrijker: luister naar je lichaam en check daar bewust extra op. Je gevoel zegt vaak al veel, maar bij diabetes moet je dat blijven ondersteunen met meten. Zoek uit welke waarde voor jou het beste werkt om je prestaties te leveren. En geef jezelf daar de tijd voor."
1 reactie