Continue glucose monitoring
Tabel 1. Continue glucose sensoren die geregistreerd zijn door de ‘Food and Drug Administration’
Continuous glucose monitoring Gold system, Medtronic Minimed (1999)
Paradigm REAL-Time and Guardian REAL-Time Systems, Medtronic MiniMed (2007)
STS Continuous Glucose Monitoring System, DexCom (2006)
STS-SEVEN Continuous Glucose Monitoring System, DexCom (2007)
FreeStyle Navigator, Abbott Diabetes Care (2008)
Glucoday, Menarini Diagnostics - Microdialyse
Bij de meeste CGM’s wordt de glucose spiegel gemeten met behulp van het enzym glucose-oxidase, net als bij conventionele glucose meters. Een naald die gecoat is met het enzym glucose-oxidase wordt ingebracht in het onderhuidse weefsel. Onder invloed van de omzetting van glucose ontstaat een elektrische stroom, die wordt gemeten met behulp van een elektrode. De grootte van deze elektrische stroom weerspiegelt de hoeveelheid geoxideerd glucose en dus de hoeveelheid glucose in de onderhuidse vloeistof. Door de CGM met enige regelmaat te kalibreren met een zelfgemeten bloedglucose waarde wordt de grootte van de elektrische stroom gekoppeld aan de juiste waarde van de bloed glucose spiegel.
De continue glucose meters bepalen de glucose spiegel gedurende een aantal dagen en slaan deze waarden op. Bij de eerste modellen, bijvoorbeeld de CGM Gold (Minimed Medtronic), konden deze glucose spiegels pas naderhand worden uitgelezen en geanalyseerd, zodat men ook pas achteraf een beter inzicht in de (fluctuaties en het beloop van de) glucose spiegels van de patiënt kreeg. Aan de hand van deze kennis werd bijvoorbeeld de behandeling aangepast.
Het grote voordeel van de huidige, nieuwere ‘real time’ CGM’s is dat op ieder moment de glucose concentratie wordt weergegeven op een display. Hierdoor kan een patiënt direct actie ondernemen op zijn of haar glucose. Daarnaast kunnen alarmen worden ingesteld om de patiënt te attenderen op (de kans op het ontstaan van) hypo- en hyperglycemieën. Bovendien geven de meeste CGM’s weer welke richting de glucose spiegel op gaat: daalt deze, of is deze aan het stijgen.
De CGM’s die gebruik maken van de naaldelectrode bestaan uit een sensor, een zender en een ontvanger. De sensor wordt met behulp van een naald in het onderhuidse weefsel ingebracht. Deze sensor blijft afhankelijk van het merk en het type 3 tot 7 dagen betrouwbaar functioneren. De sensor is verbonden met een zender op de huid, die via een radiofrequent signaal informatie stuurt naar de ontvanger. De ontvanger bestaat uit een draadloos apparaatje met een display waarop de glucose spiegel wordt afgebeeld. De alarmen, in de vorm van een geluid of trilling, worden ook door deze ontvanger gegenereerd.
De Paradigm van Minimed Medtronics is een combinatie van een CGM met een insuline pomp waarbij de insulinepomp ook de ontvanger met display is. Bij deze variant moet de patiënt overigens wel zelf de hoeveelheid toe te dienen insuline bepalen.
Het belangrijkste voordeel van de CGM is dat deze de glucose continu meet en dat er direct geanticipeerd kan worden op veranderende glucose spiegels, dat patiënten gewaarschuwd kunnen worden bij afwijkende glucose spiegels en dat er inzicht is in het verloop van de glucosespiegels. Een belangrijk minpunt is de tijd die verstrijkt tussen de bloedglucose en de waarde van de CGM. Daarnaast is de accuraatheid van CGM, met name bij snel veranderende glucosespiegels in het gebied lager dan 4 mmol/l, nog niet even goed als bij bloedglucose bepaling aan de hand van SMBG en/of bloedglucose bepaling in het laboratorium uit veneus afgenomen bloed.
In de praktijk kan CGM gebruik niet de conventionele zelfcontrole volledig vervangen en blijven vingerprikcontroles nodig voor calibratie en controle. Ondanks deze minpunten blijkt het gebruik van CGM toch een toegevoegde waarde te hebben en is bewezen effectief. Ten eerste resulteert CGM gebruik in een daling van de HbA1c waarde bij patiënten die CGM ‘continu’ gebruiken en op grond hiervan hun behandeling aanpassen, of resulteert op zijn minst in vermindering van hypoglycemieën ten opzichte van controlegroep, bij een met de controlegroep vergeleken gelijke daling in HbA1c. De patiënten in deze onderzoeken hadden van tevoren een HbA1c hoger dan de streefwaarde, ondanks adequate behandeling aan de hand van vingerprikken. Dergelijke patiënten zijn dan ook geschikte kandidaten voor CGM gebruik.
Een tweede bewezen effect van CGM gebruik is dat de tijd waarin iemand met diabetes normale bloedglucoses heeft toeneemt en daarmee de tijd doorgebracht in hypo- en hyperglycemie afneemt. Hierdoor zal de kans op complicaties afnemen.
Het is in de dagelijkse begeleiding van patiënten met diabetes een groot obstakel dat CGM nog steeds niet vergoed wordt. Alleen al de hypoglycemie alarmering van de CGM zou naar onze mening reden moeten zijn tot vergoeding. Aan patiënten met hypo-unawareness in het bijzonder wordt zo een adequate alarmering voor ernstige acute complicaties onthouden.
Meer informatie over het Nederlands Tijdschrift voor Diabetologie en evt nabestellen van oude nummers vindt u op de website www.diabetesweb.nl.
| < Vorige | Volgende > |
|---|