Diabetes regulatie en voetklachten
Goede diabetesinstelling houdt verband met minder kans op voetklachten.
Een nationale studie in de Verenigde Staten heeft aangetoond dat mensen met diabetes die hun bloedglucose goed onder controle hebben, een veel kleinere kans hebben op het ontwikkelen van problemen met de voeten of andere toekomstige zenuwbeschadigingen.
De studie toont onder meer aan dat de positieve effecten van een goede bloedglucosecontrole vele jaren later zichtbaar wordt. Aan het einde van de studieperiode bleken de patiënten die hun bloedglucose strak onder controle hadden vanaf het begin van de studie, maar liefst 51% minder vaak te maken hadden met zenuwproblemen dan patiënten die op hetzelfde moment waren gestart maar gedurende de vijf jaar geen intensieve bloedglucosecontrole hadden.
Bij de studie (de DCCT) waren 1.441 mensen met type 1 diabetes betrokken en startte in de 80-er jaren. Deelnemers werden willekeurig in twee groepen verdeeld. De ene groep werd aangespoord om een goede controle te behalen en hiervoor drie insuline-injecties per dag of een insulinepomp te gebruiken. Ook was het mogelijk twee maal per dag te injecteren en hierbij op zeer regelmatige basis bloedglucosechecks uit te voeren. De tweede groep werd pas later aangespoord tot een strakke regeling. Verder werd de gezondheid van alle studiedeelnemers in de gaten gehouden.
De symptomen en tekenen die wijzen op voetproblemen werden vastgesteld tijdens een gestandaardiseerde vragenlijst en lichamelijk onderzoek. Na het eerste jaar vertoonde 28% van de gemiddeld geregelde patiënten tekenen van neuropathie tijdens het lichamelijk onderzoek alhoewel slechts 4,7% dit via de vragenlijst rapporteerde. Bij de goed gecontroleerde groep bedroegen deze percentages respectievelijk 17,8 en 1,8%. Het verschil tussen de groepen was statistisch gezien significant.
Gedurende de daarop volgende jaren bleef het verschil tussen beide groepen significant; wel steeg in beide groepen het percentage mensen dat in de vragenlijst ook neuropathische klachten ging aangeven. Aan het einde van de acht jaar follow-up bleek dat bij de gemiddeld ingeregelde groep 7% van de deelnemers symptomen van neuropathie aangaf ten opzichte van 3,5% van de strak gecontroleerde groep. Bij het lichamelijk onderzoek bedroegen deze percentages respectievelijk 26 en 20%.
© Double Check, Marieke van der Vaart
| < Vorige | Volgende > |
|---|
